Het licht van het leven is niet voor mij.
Ik mag er zijn,
maar enkel in de kast
of de dood.
Als het maar ergens is in stilte.
Ergens waar 6 planken,
in welke plaatsing dan ook,
vorm geven aan mijn bestaan.
Het ergste in hun wereld,
is een namelijk een queer in het openbaar.
Elke herinnering aan ons bestaan is teveel.
Ze foeteren over een vlag,
de haat zo erg dat ze ze van huizen rukken.
Foeteren over
een bank,
een simpele zebra
een queer koppel in de media.
“Het wordt mij door de strot geduwd!"
Ik zie de spuug op hun lippen
als ik vertel over mijn leven,
als ik zij zeg in plaats van hij,
als ik net als hun mijn partner een kus wil geven
terwijl we wandelen op het strand,
wanneer ik niet verdwijn
achter de gordijnen van openbare
heterosexualiteit.
Teveel,
teveel,
altijd teveel.
Altijd zijn we teveel.
Ze zeggen dat steeds minder jongeren zich als queer identificeren.
Artikelen vragen zich af waarom.
“Eindelijk zien ze dat het een hype is!”
De comments vieren feest.
Ondertussen groeien de suicide nummers onder de jongeren,
en nemen de bestellingen voor nieuwe en grotere kasten toe.
Johan was gisteren nog in elkaar geslagen.
Maria was de dag ervoor vermoord.
Een zogenaamde viering van acceptatie
zolang we maar exact zijn zoals zij willen
en zelfs dan is het nooit genoeg.
Zelfs dan zijn wij teveel.
Door wiens strot word nu eigenlijk wat geduwd?
Wiens strot moet nu eigenlijk in stilte slikken?
We begraven liever onze kinderen
dan dat we hen omhelzen.
Het is makkelijker om van herinneringen te houden
dan van echte mensen
met eigen meningen en levens.
Dode mensen hebben dat ding waar de samenleving naar verlangt.
Wat overblijft van hen is wat wij zelf willen zien,
andermans leven door onze ogen.
In die wereld was alles beter.
In die wereld was het kind nooit queer.